Historie

H. Clemenskerk 125

1872 – 1997 125 jaar H. Clemenskerk Nuenen

De H. Clemenskerk 1823-1872
De H. Clemenskerk 1872
Om en in de kerk
De klokken in de H. Clemenskerk
Het orgel
Pastoors

Voorgeschiedenis
Uit de vroegste geschiedenis van Nuenen c.a. is zeer weinig bekend, al zijn er wel enkele archeologische vondsten. Bekend is dat de plaats waar zich nu de algemene begraafplaats op de Kerkakkers bevindt, in oude tijden een Germaans grafveld was.
beeld
H. Clemens

In de nabijheid van dit grafveld zou zich een door de Germanen vereerde heilige bron hebben bevonden, die tijdens de laatste twee eeuwen van de Romeinse periode door de gekerstende Romeinen gewijd zou zijn aan St. Quirinus. Misschien is op die plaats in een ver verleden wel een soort kapel of kerkje opgericht.

De algehele kerstening van deze streek voltrok zich tussen de 6e en 8e eeuw na Christus en werd sterk bevorderd door de Benedictijnen, afkomstig van het Benedictijnenklooster St. Geertruide in België. Deze Benedictijnen hadden een grote verering voor Paus Clemens I, martelaar, die in het jaar 91 tot Paus gekozen werd. Onder het bewind van keizer Trajanus (98-117) stierf Paus Clemens I rond het jaar 100 de marteldood.

Vermoedelijk hebben de Benedictijnen de gestichte parochie Gerwen, Nuenen en Stiphout, met in Gerwen de hoofdkerk (en in Nuenen een kerkje in de Kerkakkers), naar St. Clemens genoemd.

In de Clemenskerk staat een beeld van de H. Quirinus, gekleed en gewapend als een Romeins officier. Quirinus was een Romeins tribuun, die door Paus Alexander werd bekeerd en die in het jaar 130 na Christus onder keizer Hadrianus (117-138) de marteldood stierf. Aan hem zou in de Romeinse tijd een heilige bron in Nuenen zijn gewijd (het zogenaamde St. Quirinusputje). Zijn relieken bevinden zich sinds 1050 grotendeels in Duitsland, in Neuss a/d Rijn.

Ook Nuenen heeft waarschijnlijk een reliek gehad, aangezien in 1803, toen de toren van Nuenen gedeeltelijk werd gerestaureerd, een witte steen in het torenfront werd ingemetseld die voordien in de kerkmuur had gezeten en waarop te lezen stond: “Hier rust Quirinus”.

St. Quirinus werd beschouwd als een beschermer tegen allerlei keel- en kropziekten. Tevens werd hij aangeroepen tegen pokken, open zweren, en vooral tegen een soort fistel, “St. Quirinuseuvel” genoemd. Ook werd hij als patroon van de paarden beschouwd, omdat volgens het levensverhaal van de heilige Quirinus paarden weigerden hem naar de plaats van de terechtstelling te slepen.

In Nuenen bestond in de kerk jarenlang het gebruik om water, ter ere van St. Quirinus, te wijden. Dit water werd eerst aangewend tegen keel-, oor- en oogziekten en later tegen zweren en huidziekten. (St. Krijnswater, St. Quirijnswater, St. Quirinuswater). In 1960 werd met het wijden van dit water gestopt.

St. Quirinuswater
Eeuwenlang werd in de parochiekerk van Nuenen ter ere van de H. Quirinus water gewijd tegen allerlei vormen van huidziekten. Wij citeren uit een oude tekst: “Men beschouwe dit water niet als een medicijn; het gaat hier alleen over geloof en vertrouwen. Het water kan, naar gelieven, in- of uitwendig gebruikt worden. Bid gedurende 9 dagen 2x daags vijf Onze Vaders en vijf Weesgegroeten”. “Het verdient aanbeveling dat iemand uit het gezin in die dagen de H. Mis bijwoont. (voor kinderen kunnen de ouders de gebeden doen). Geloof en gebed moeten erop gericht zijn dat het gebruik van dit water de uitwerking mag hebben, welke de H. Kerk erover heeft afgesmeekt”.

Begin 1500 werd de kerkekas beheerd door een tweetal kerkmeesters. Zij ontvingen daar jaarlijks 7 tot 12 stuivers voor. De inkomsten van de kerk bestonden voornamelijk uit renten van rogge, wijn en geld, uit offeranden van parochianen en schaalcollecten op de voornaamste dagen van het jaar, uit de baten wegens het “overluchten van de doden metten kerckenkarsen” (later de 40, 80, 110-ponds uitvaarten, d.w.z. uitvaarten met 40, 80 of 110 kaarsen, elk van een pond), uit de huur van een paar akkertjes, en de opbrengst van de kerkschapen, die door de boeren hier en daar op hun boerderijen, ten voordele van de kerk, onderhouden en gemest werden. (Zo verhaalt de geschiedschrijver bijvoorbeeld, dat in 1628 de kerkmeesters 17 schapen à 3 gulden per stuk konden verkopen; in 1624 waren dat 27 schapen à 5 gulden per stuk, terwijl in 1648 de opbrengst minder was: 16 schapen à 4 gulden per stuk). Nog een opmerkelijk detail: de kerkschapen werden in de kerk geschoren!

Rond het jaar 1225 werd Nuenen een zelfstandige parochie. Een vraag zal wel altijd blijven of de kerk toen St. Clemenskerk of St. Quirinuskerk werd genoemd. Aanvankelijk stond de parochie onder een eigen pastoor; echter, in de loop van de 14e eeuw werd de Nuenense parochie verenigd met die van Gerwen.

Tijdens de laatste jaren van de 15e eeuw onderging de Nuenense kerk een aanzienlijke uitbreiding. In 1490 werden de klokken in de toren gehangen en als geheel kwam de bouw gereed in 1494. De toren bereikte met spits een hoogte van 52 meter. In 1512 werd de kerk in brand gestoken, maar in 1523 weer hersteld. Wegens gebrek aan geld werd toen een kortere spits op de toren geplaatst.

oud1d
oud2d
1494-1512
1523-1792
oud3d
oud4d
1792-1823
1823-1885

In 1496 werd de Nuenense parochie van de St. Clemensparochie van Gerwen afgescheiden. In 1996 werd dit feit op feestelijke wijze herdacht met verschillende manifestaties en festiviteiten rond “Vijf Eeuwen Kerkdorp Nuenen”.

Het jaar 1648 betekende voor het rooms-katholieke geloof het begin van een moeilijke periode. De katholieke erediensten werden overal verboden en de kerkgebouwen werden door de Hervormden in gebruik genomen. Ook in Nuenen ging het kerkgebouw over in handen van de Hervormde Gemeente van Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Hetzelfde gebeurde met de kerkgebouwen van Gerwen en Nederwetten.

Evenals elders hielden de Nuenense katholieken in het geheim hun godsdienstige bijeenkomsten. Maar om ter kerke te kunnen gaan, trokken de meeste gelovigen eerst naar de grenskerk Bolderdijk en van 1652 tot 1672 naar de grenskapel De Grashut nabij Hugten op Limburgs gebied, dat toen in Spaanse handen was.

Op de gevonden fundamenten is in 1955 een grenskerkmonument verrezen, dat volkomen is aangepast aan de betekenis en de waarde van de plaats. Het monument is te vinden tussen Maarheeze en Weert, net over de provinciegrens Brabant-Limburg. Het monument staat aangegeven op de ANWB-kaart N. Brabant-Oost.

Na 1676 werd het toegestaan om kerk te houden in de woonplaats zelf, mits dit niet met uiterlijk vertoon gepaard zou gaan. In Nuenen gebeurde dit eerst in een schuur, die het “Kerkehuis” werd genoemd en op de plaats zou hebben gestaan waar nu Café Schafrath is gevestigd. Tot 1695 deed dit dienst als bedehuis, waarna men verhuisde naar een aangekocht boerderijtje dat als schuurkerk werd ingericht en dat stond op het plein voor de huidige Clemenskerk.

In 1798 kregen de katholieken de grote kerk in de Kerkakkers weer terug. Maar aangezien de toren van de kerk in 1793 was ingestort en daarmee de kerk had geruineerd, bleven de katholieken toch kerken in de schuurkerk, totdat deze in 1823 bijna geheel werd afgebroken en vervangen door een gebouw met een leien dak dat meer de naam kerk verdiende.

Het was een wens van Nuenense katholieken geweest om de geruïneerde kerk in de Kerkakkers te restaureren, doch deze wens bleef onvervuld. Zou dit wel het geval geweest zijn, dan zou zeer waarschijnlijk de parochie en daarmee het centrum van Nuenen thans meer oostwaarts gelegen hebben, namelijk in de Nuenense Kerkakkers.

In 1803 werd de toren van de kerk (gemeentelijk eigendom) gedeeltelijk herbouwd en van een kleine spits voorzien, zodat de twee grote klokken, die lager werden aangebracht dan oorspronkelijk, konden worden gebruikt. De torenspits bereikte nu een hoogte van 26 meter. De kerk zelf bleef echter onopgebouwd en verviel weldra tot een ruïne.

De Clemenskerk 1823-1872
De vorige Clemenskerk van Nuenen stond vóór de huidige kerk aan de kant van de tegenwoordige pastorie. Deze kerk kwam, zoals eerder vermeld, in 1823 tot stand als verbouwing van de op dezelfde plaats staande schuurkerk, die dateerde uit de tijd van de republiek (vóór 1795). De schuurkerk was in 1823 danig aan verbetering toe, aangezien de zijmuur aan de pastoriekant was verzakt. Bovendien wenste het kerkbestuur een indrukwekkender kerkgebouw.
Clemens oude toren

Het werk werd gegund aan drie buitendorpse aannemers voor nog geen 700 gulden, waarbij het leidekken niet inbegrepen was. De nieuwe hoogte van de zijmuren werd 5,34 m (oude hoogte 3,14 m); het dak liep spits toe tot een hoogte van 7,54 m. De breedte van de kerk werd ongeveer 15 m en de diepte 30 m. Het dak moest met leien gedekt worden (het vorige dak was van stro) en de torenspits moest, naar believen van het kerkbestuur, met minstens 15 cm worden verhoogd. Nieuw was ook een houten vloer onder de banken. Op 25 april 1823 werd in de herberg van Peter Coolen door het kerkbestuur in de personen van pastoor van Will, Arnoldus Vogels en Johannes Dijstelbloem, openbaar aanbesteed het maken of herbouwen van de Rooms Katholieke kerkschuur op het Heien Eind. De verbeterde schuurkerk heeft toch niet aan de verwachtingen voldaan, want zij heeft nauwelijks vijftig jaar bestaan.

Dit was ook de mening van pastoor Van Lent (pastoor van Nuenen van 1840-1879), die in 1840 schreef: “In 1823 is de schuurkerk verbouwd, doch voor het einde waartoe zij moet dienen, weinig verbeterd, ofschoon er de afkoopgelden der tienden geheel aan zijn versnoept geworden“.

Deze laatste opmerking lijkt niet geheel juist, omdat uit de stukken blijkt dat met de bouw van de pastorie (deze stond vóór de huidige pastorie en werd afgebroken toen die in 1911 gereed kwam), in 1822 al 3200 gulden gemoeid was en met de bouw van de kerk, behalve de dakbedekking, maar 700 gulden. Het totale afkoopbedrag dat in 1819 en 1822 werd verkregen bedroeg echter 6.000 gulden, plus een jaarlijkse rente uit het grootboek nationale schuld van 100 gulden.

Clemenskerk 1872
Voorbereidingen
In 1868 schrijft W.P. van Lent, pastoor van Nuenen tijdens de bouwperiode van de huidige Clemenskerk, in het door hem aangelegde memoriaal:
Ik heb het huis met moestuin, naast de kerk gelegen, peperduur gekocht en doen afbreken, om er eenmaal een nieuwe kerk op te bouwen“.

Blijkens de kerkerekening van 1868 is voor dit huis met moestuin 1.016 gulden betaald. De grond voor een begraafplaats werd goedkoper verworven: deze werd geschonken door de familie Van Lieshout-Sengers.

In 1869 werd door het kerkbestuur architect C. Weber te Roermond aangezocht om een schets te maken van een nieuwe kerk. Van de Vicaris-Generaal was hiertoe goedkeuring verkregen. Tevens werd besloten om hout aan te kopen voor het bakken van stenen. Dit moet volgens nazoekingen gedaan zijn op ’t Hool.

In februari 1870 werd door het kerkbestuur besloten het steenbakken aan te besteden en daarop toezicht te houden. Pastoor Van Lent schreef hierover in 1870:
Gedurende de zomerdagen zijn wij werkzaam geweest om stenen te bakken voor de nieuwe kerk, waarvan op 10 oktober (1870) de grondslagen zijn aangelegd“.

Blijkbaar is dit werk tegengevallen, want op 10 juli 1870 besloot het kerkbestuur om het steenbakken voor eigen rekening te staken (vanwege het ongunstige regenachtige weer) en stenen aan te kopen en daarvoor een commissie naar Reckheim te zenden.

In mei 1870 werd door de bisschop aan het kerkbestuur machtiging verleend 40.000 gulden te lenen en dit bedrag successievelijk af te lossen door aanwending van vroeger aan particulieren geleende gelden.

Op 28 maart 1871 zegende de pastoor de eerste steen en werd deze door hem, in tegenwoordigheid van de kerkmeesters Johannes van Coll en Johannes Wouter Jansen, ingemetseld.

Wouter Jansen werd als opzichter aangesteld. In oktober werd met de opzichter overeengekomen het metselwerk tot het aanstaande voorjaar te staken. Pastoor Van Lent schrijft over die winter het volgende:
Den 8e december, O.L. Vrouw der Onbevlekte Ontvangenis, is het, nadat er zeer veel sneeuw gevallen was, zoo vreeselijk beginnen te vriezen, dat de ooren en vingers van veelen menschen bevroren waren die dien dag ter kerke gingen: ook veele kiepen (kippen) hebben er het leven bij gelaten“.

image8
De huidige Clemenskerk, gezien vanaf het “kwezelspad”, ± 1890

In maart 1872 werd besloten de oude kerk af te breken, zodra de oude banken en plavuizen verkocht waren. Verder besloot men om het aanbouwen van de doopkapel zoveel mogelijk te bespoedigen, de trap naar de toren te voltooien en om solidere deurkozijnen aan toren en sacristie te doen maken.

De zomer van 1872 bracht een tropische warmte, die volgens pastoor Van Lent zo hevig was, “dat in ons land honderde menschen schierlijk zijn gestorven door zonnesteken, het spoedig drinken van koud water, karnemelk, door baden, zwemmen, door zware vermoeidheid van arbeiden en reizen“.

In oktober 1872 naderde de kerk haar voltooiing. Besloten werd om de werkzaamheden zodanig te bespoedigen, dat de nieuwe kerk op St. Clemensdag zou kunnen worden betrokken.

De werkzaamheden hebben niet gestagneerd zoals blijkt uit het navolgende jaarverslag van pastoor Van Lent:
Den 19e mei, de dag waarop ik mijn 70e verjaardag ben ingetreden, is men begonnen den toren te regten op de nieuwe kerk, en op den 21e juny is er de haan op geplaatst. Den 23e november, zijnde de Feestdag van den H. Clemens, Patroon van Nuenen, heb ik met machtiging van Mgr. den Aartsbisschop van ‘s-Hertogenbosch, onze nieuwe kerk ingewijd volgens de kerkelijke voorschriften, en daarop de eerste Solemneele Mis gecelebreerd, bijgestaan door de Eerwaarde Heeren gebroeders Wilh. Johannes van der Krabben, kapelaan te Luyksgestel en Marinus Justinus van der Krabben, kapelaan alhier. Ook heb ik met machtiging van Mgr. op den 1e december, zijnde de 1e zondag van den Advent, den H. Kruisweg uit de oude naar de nieuwe kerk overgebracht, opnieuw gewijd en plechtig opgehangen. Bovendien heeft Mgr. alle vroeger bestaand hebbende aflaten en locale Broederschappen in de oude kerk naar de nieuw gebouwde overgeplaatst; alsmede aan het nieuwe prachtige gansch steenen hoofdaltaar het privilege van Altare privilegiatum quotidianum perpetuum verleend“.
(= geprivilegieerd altaar, waaraan dagelijks en altijddurend een volle aflaat verbonden is).

De pastoor vervolgde daarna inderdaad op merkwaardige wijze:
Het jaar 1872 is merkwaardig: 1e, voor Nuenen in het bijzonder, omdat de lang gewenschte en reeds in het vorig jaar begonnen grindweg van Lieshout door Nuenen naar Eindhoven voltrokken is; maar nog meer, omdat de nieuwe kerk zover voltrokken is, dat wij die met ons Patroonfeest in volle gebruik kunnen nemen; 2e, merkwaardig is dit jaar in het algemeen, vooreerst om de langdurige stortregens, die door geheel Europa vele overstromingen hebben veroorzaakt met verlies van duizende menschenlevens en met onberekenbare schade aan schepen, huizen, landen, vruchten etc.; ten anderen door eenen buitengewoonen sterrenregen in den nacht tusschen den 28e en 29e november door geheel Europa: te Rome heeft men in een uur 13.892 vallende sterren geteld en in den geheelen nacht 150.000“.

Historiepastorie3historiepastorie6

PAldenhuijzenastoor H.A. Aldenhuijsen
(gestorven 1970) liet in 1935 nabij het oude kerkhof (algemene begraafplaats) in de Nuenense Kerkakkers een kruisbeeld oprichten: hoog, en in de wijde omgeving zichtbaar, om de plaats waar de voormalige kerk eens stond, in aandenken te houden.

Om en in de kerk
De kerk is gebouwd in neogothische stijl onder architect C. Weber uit Roermond. Het was de eerste kerk van deze architect in het bisdom ‘s-Hertogenbosch. Hij bouwde daarna de kerk van Zeelst (gemeente Veldhoven) en nog later de koepelkerken van Geldrop, Lierop, Uden en nog andere.

De kerk heeft, zoals bij de meeste kerken uit vroeger jaren het geval is, een grondvlak in de vorm van een kruis en bestaat uit een middenschip en twee zijbeuken. Het gewelf is een gestukadoord houten kruisribgewelf; driezijdig met koor en transeptarmen. De toren is ongeveer 60 meter hoog.

Twee jaar na de bouw van de kerk werd er een uurwerk in de toren geplaatst en werd het kerkplein ingesloten door twee hoge muren die langs de tuin op eigen grond van de kerk werden gezet: “zodat die gansch vrij op den eigendom der kerk staat en de buurman er niets mede te maken heeft. Slechts is hem vergunt er tegen te pooten en te planten, zoolang als zulks aan het kerkbestuur zal behagen”.

Daarna werd in 1878 vanaf het hek tot de ingang van de kerk een beklinkerde weg aangelegd met ijzeren afsluiting.

Het binnenaanzicht van de kerk is in het verloop van de honderd jaar dat deze kerk nu staat nooit ingrijpend veranderd. De wanden waren kleurrijk beschilderd met voorstellingen van heiligen en bloemmotieven, het resterende grote deel had een gele ondergrond met rode biezen als voegen om stenen aan te geven.

In 1942 is de kerk geheel overgeschilderd. De kleuren verdwenen en er kwam een lichte tint, die de kerk een veel lichter aanzien gaf, maar wel op velen een kille en kale indruk maakte. Door de brand in de bijsacristie in 1958 was het opnieuw nodig om de kerk te schilderen, hetgeen in 1959 gebeurde.

Het hoogaltaar, in de vorm van een schrijn, is gemaakt van zandsteen. Het is rijkelijk versierd met bloemmotieven en vier beelden, voorstellende de evangelisten. Het is een schepping van architect Weber en dateert uit 1872.

In 1878 werden er twee zijaltaren en twee gepolychromeerde (gekleurde) beelden van zandsteen in de kerk geplaatst, die aan pastoor Van Lent in 1876 ter gelegenheid van zijn gouden priesterfeest waren geschonken. Het H. Hart-altaar staat rechts. Het Maria-altaar links heeft een bovenbouw van houtsnijwerk.

De twee beelden, voorstellende de H. Clemens en de H. Jozef, werden geplaatst boven de ingangen van de sacristieën; ze staan nu bij het linker- en rechtertransept van de kerk.

Op 6 januari 1882 werd het orgel geplaatst, en het jaar daarop twee biechtstoelen van wagenschottenhout, die gemaakt werden door beeldhouwer J. Oor uit Roermond.

Pastoor Van Grinsven kreeg van zijn parochianen in 1896 ter gelegenheid van zijn zilveren priesterfeest een doopvont voor de kerk.

Tussen 1903 en 1907 werden 15 houtgesneden beelden geleverd en een nieuwe kruisweg. De beelden zijn gesneden op het atelier van Custers te Stratum (Eindhoven). Nu zijn er nog 7 te zien: de H. Quirinus (met het zwaard), de Romeinse officier die als martelaar stierf en die in Nuenen bijzonder werd vereerd; de H. Clara met ciborie in de hand; de H. Lucia met krans en een schaaltje met twee ogen (dit is een zeldzame afbeelding van haar, daar zij gewoonlijk afgebeeld wordt met een zwaard in de hals. De twee ogen duiden op de patrones van het licht: vgl. Zweden: Lucia, lichtkoningin); de H. Catharina (met rad); de H. Ambrosius (met bijenkorf).

Op het zangkoor bevinden zich twee grote houten beelden van de H. Caecilia (met orgeltje) en de H. Gregorius de Grote. Ook bevindt zich achter in de kerk de beeltenis van de H. Antonius van Padua. Voor de balustrade van het zangkoor staan nog twee houten beelden, voorstellende Koning David en een andere figuur uit het Oude Testament.

De kruisweg is geschilderd door A. Windhausen uit Roermond en werd in 1907 voltooid. Deze kruisweg verving een oudere, die uit 1843 dateerde.

Ter gelegenheid van het 40-jarig priesterfeest van pastoor Van Vleuten in 1928 werden er twee marmeren communiebanken geplaatst en in 1929 kwam de marmeren preekstoel klaar, die aanvankelijk tegen de kolom bij het Maria-altaar geplaatst werd; maar een jaar later werd de preekstoel om akoestische redenen naar de andere zijde in het schip verplaatst. Vanwege de vernieuwing en lokale aanpassing van de liturgieviering rond de jaren zestig, zijn de communiebanken naar de zijaltaren verplaatst en nu zijn ze nog te zien achter in de kerk. De preekstoel is, aangezien die als zodanig niet meer gebruikt werd, na de huidige restauratie niet meer opgesteld. Zowel communiebanken als preekstoel waren vervaardigd door atelier Custers uit Eindhoven.

De naam Nuenen zou afkomstig zijn uit de Frankische tijd,tussen 600 en 800 jaar na Christus,en wel als een een verbastering van Nuenhem of Nuynhem.
Deze naam zou weer zijn samengesteld uit “nue” of “nuy”, hetgeen “nieuw” betekent, en “hem”, wat duidt op “heim”, “haard”, woonplaats of heem.
Volgens deze uitleg betekent Nuenen dus: “nieuwe heem”.

Op de voormiddag van 16 augustus 1958 brak, vlak voor een uitvaartdienst, brand uit in de bijsacristie. Hierbij gingen vele oude processievaandels, lopers, vloerkleden, kandelaars, e.d. verloren. Daags tevoren was het feest gevierd van Maria Hemelvaart, en op zo’n feestdag werd de kerk rijk opgesierd met al haar kostbare spullen. Ook had toen de gebruikelijke Mariaprocessie plaats gehad. In dat jaar zijn de meeste gebrandschilderde glas-in-loodramen, waaraan de tand des tijds had geknaagd en waarvan het lood totaal verweerd was, vervangen door neo-antiek glas-in-loodramen. Er zijn nog drie gebrandschilderde ramen in het priesterkoor en een rond venster op het zangkoor bewaard gebleven.
Ninaber van Eyben heeft in 1942 de beeltenis van O.L. Vrouw van Altijddurende Bijstand gemaakt. Het bevindt zich achter in de kerk en is vervaardigd van gebrand glas, gevat in emaille. De tekst die er onder staat luidt: “beLLi CresCente fVrore Virginis HanC effigiem greX renoVaVit Devote
dit betekent: “Terwijl het oorlogsgeweld toenam, vernieuwde de gemeenschap met eerbied deze beeltenis van de Maagd.
De hoofdletters in de Latijnse tekst geven, achter elkaar gezet, in Romeinse cijfers het jaartal 1942 aan.

De klokken in de Clemenskerk
Aanvankelijk hingen in de oude klokkentoren van de Clemenskerk in de Kerkakkers drie klokken, die eigendom waren van de gemeente. De klokken moesten door vijf mensen geluid worden; het luiden op de zondagen werd (in de 18e eeuw) door de regenten publiek aanbesteed. In de 17e eeuw hing in de toren ook een “schelle” of “schelleken”, dat met de drie klokken een carillon vormde.

De grootste klok, in die tijd “Tiendklok” genaamd omdat het onderhoud ten laste van de tienden stond, was de oudste van het drietal. Zij bestaat nog en hangt momenteel in de huidige Clemenskerk. Zij weegt 1420 kg en haar naam is: IHS-Maria-Johannes. Ze werd gegoten door klokkengieter Jan van Venlo in 1490 met als opschrift, vertaald uit het Latijn:
Zie, ik zing met vrome stem, (ik), die Sancta Maria geheten wordt, kom naar mijn feesten, (gij) die tegen de dood beschermd wilt worden. 1490 betekenen het jaar, waarin Jan van Venlo in Nuenen (mijn) maker is geweest“.

De twee andere klokken moesten door de Burgelijke gemeenten onderhouden worden. De grootste dezer woog 1112 1/4kg. Toen zij in 1742 gebarsten was, werd haar vergieting op 2 november van dat jaar door de regenten voor 265 gulden en 5 stuivers opgedragen aan Jan Petit te Helmond. Dit echter onder voorwaarde, dat de regenten nog ruim 100 kg klokspijs zouden bijleveren en dat zij na haar vergieting ongeveer 1000 kg zou wegen. Ze werd te Nuenen zelf vergoten en woog toen 977 kg.

De kleinste klok was in de 18e eeuw de schoolklok geheten, omdat ze toen gebruikt werd om het begin van de schooluren aan te kondigen. Nadat in 1803 op last van het gemeentebestuur de restauratie van de toren had plaatsgevonden, werd deze klok afgestaan aan de toren van Gerwen, omdat in de nieuwe toren, door de verbouwing veel lager geworden, alleen de twee grootste klokken opgehangen konden worden. De kleinste van deze twee klokken moest in 1852 vergoten worden wegens een barst. Zij moest daarbij méér dan de helft van haar grootte en gewicht inboeten.

Toen de toren in 1873 wederom bouwvallig was geworden, was de gemeenteraad niet genegen om de onnodige kosten op zich te nemen en hem te herstellen. De twee klokken werden buitendienst gesteld, totdat het kerkbestuur op 31 augustus 1883 beide klokken voor 1000 gulden van het gemeentebestuur kocht en ze in januari 1884 in de toren van de nieuwe parochiekerk liet ophangen.

Pastoor van Lent schrijft:
Dewijl de oude dorpstoren ongeschikt bevonden en door deskundigen als gevaarlijk verklaard is om nog langer de klokken te luiden, heb ik bij request aan het gemeentebestuur van Nuenen aanvraag gedaan, om die oude klokken te mogen doen overbrengen naar den toren der nieuwe R.C. Kerk, onder zeer billijke voorwaarden, zoodat ook het gemeentebestuur van die klokken zal kunnen gebruik maken bij lands en gemeentens burgelijke plechtigheden, bij brand of andere onheilen, zooals tot heden altoos gebruikelijk is geweest. Het gemeentebestuur heeft in eene raadvergadering hiermede volkomen genoegen genomen, en mijn request met hun raadsbesluit ter goedkeuring en machtiging aan de provinciale Staten te ‘s-Hertogenbosch opgezonden. De Heeren gedeputeerde Staten hebben het overbrengen der klokken naar den nieuwen toren wel toegestaan, maar wegens het gebruik derzelve zoo veel vrijheid geëischt, dat ik hun geschenk met instemming van Mgr. den Aartsbisschop Zwijsen heb moeten afwijzen“.

Mariaklok

De grote Mariaklok hangt, zoals vermeld, nog steeds in de huidige toren. De kleinere, die niet goed harmonieerde met de grote, werd in 1932 uit de toren gehaald door pastoor Aldenhuysen en ter ere Gods afgestaan aan de kerk van Paco-Manilla op de Filipijnen, alwaar een broer van de pastoor een nieuwe parochie gesticht had.

Twee nieuwe klokken, Clemens en Quirinus, gegoten door de families Petit en Fritsen te Aarle-Rixtel, kwamen er in datzelfde jaar voor in de plaats. De Clemensklok woog 1050 kg en kreeg als opschrift: “Clemens heet ik, ik roep over de mensen: Heer wees meedogend“.

De Quirinusklok woog 750 kg en droeg als opschrift: “Ik nu Quirinus, en Clemens naast mij, paren wij als tweelingbroeders alle dagen onze stem aan die van Maria, die al in haar 5e eeuw Gods lof verkondigt“.

De tonen van de zeer harmonisch klinkende klokken waren es-f-g. Met Kerstmis 1932 riepen hun welluidende stemmen katholiek Nuenen voor de eerste keer “ad sacram liturgiam“.

Een paar weken voor Kerstmis 1942 werden de klokken Clemens en Quirinus echter door de Duitsers uit de toren gehaald en weggevoerd, en ze zijn niet meer teruggekeerd. De oude Mariaklok mocht uit historisch oogpunt blijven hangen.

Na de oorlog nam pastoor Aldenhuysen opnieuw het initiatief tot het laten gieten van twee nieuwe klokken. De eerste, die weer de naam Clemens droeg, werd gehangen in 1949. Haar opschrift luidt: “In plaats van de klok, die door de vijandige aanvaller van het vaderland in het jaar des Heren 1942 op heiligschennende wijze is geroofd, ben ik met dezelfde naam van de goddelijke goedertierenheid (-Clementia-) genoemd, gezegend en gewijd in het jaar des Heren 1949“.

De klok weegt 975 kg en is 1,16 m in diameter.

In mei 1950 volgde de Quirinusklok. Haar opschrift luidt hetzelfde als op de oude. Op deze klok staat nog een randschrift: “Aan de Zeereerwaarde Pastoor H. Aldenhuysen, bij gelegenheid van zijn 40-jarig (8-ste lustrum) priesterfeest, hebben de inwoners van Nuenen, mij, als heraut van de goddelijke dienst, met een dankbaar hart teruggebracht in een tijd van vrede, 21 mei 1950“.

Zij weegt 717 kg en is 1,04 m in diameter. Later werd deze klok gebruikt als Angelusklok.

Op zondag 28 januari 1951 viel plotseling de grote klok stil, want de klepel viel eruit. Hij bleef gelukkig hangen tussen de galmgaten, waardoor ongelukken voorkomen werden. Het klokkenoor was afgebroken. Een nieuwe klepel werd erin gehangen, maar later is deze vervangen omdat hij te zwaar bleek. Zo is in 1970 ook de klepel van de kleine klok vernieuwd.

De grote Mariaklok moest in 1954, vanwege een barst in de mantel, uit de toren gehaald worden, en ter reparatie naar De Droogdok te Rotterdam worden gebracht. Zij keerde na enkele maanden terug in de toren.

De klokken luiden weer en strooien hun klanken uit over geheel Nuenen.

Medogenloos gebeukt geschaafd, geprangd, gewrongen
verloor dit klepeloor den strijd…
De wilde klepel is aan d’ijzeren vuist ontsprongen.
De tijd getuigt hoe eervol ’t oor
den giganesken kamp verloor.
Want voor een bagatel voorwaar
behoeft men geen vierhonderd een en zestig jaar.
H. Aldenhuysen

Door de week roept de klok, die de naam Quirinus draagt, de mensen naar de kerk, en driemaal per dag roept zij op voor het Angelus.

’s Zondags roepen Clemens en Quirinus samen; en de Mariaklok luidt, samen met de anderen, bij grote en hoge feestelijke gebeurtenissen, maar ook wanneer een parochiaan naar zijn of haar laatste rustplaats wordt gebracht.
De vijf eeuwen oude Mariaklok is onder Monumentenzorg geplaatst.

Het orgel in de Clemenskerk
In 1882 kwam het orgel in onze kerk gereed, dat gebouwd werd door de fa. Gebroeders Smits te Reek bij Ravenstein. Als kosterorganist werd toen aangesteld de 35-jarige Johannes Leonardus Schafrath uit Beek en Donk, die zich te Nuenen vestigde en die ook nog het beroep van kleermaker uitoefende. Later is hij als koster-organist opgevolgd door zijn zoon Harry Schafrath, die tot 1966 het orgel heeft bespeeld.

Het kerkbestuur mocht zich gelukkig prijzen met dit instrument, omdat de Gebroeders Smits tot de kundigste orgelbouwers van hun tijd werden gerekend en hun orgels een oorspronkelijke plaats innemen. Elk door hen afgeleverd orgel vertoont een eigen karakter in dispositie, kastwerk, constructie, goede materialen, fluwelige labiaalstemmen en forse pompeuze tongwerken. Het valt bij de Smitsorgels bovendien op dat de prestanten dezelfde wijdte hebben als die van de bloeitijd der orgelbouw vóór 1600.

De fa. Gebroeders Smits bouwde haar grootste orgels in R.K. kerken van Reek 1825, Boxtel 1842, Den Bosch, St. Pieter 1843, Schijndel 1852 en Amsterdam (St. Willibrordus binnen de veste) in 1862. Het orgel in onze kerk werd gebouwd met 2 klavieren en vrij pedaal voor de prijs van 5.000 gulden.

Het orgel was gebouwd volgens het mechanische systeem, met een rechtstreekse verbinding van klaviertoets naar orgelpijp. Als op de toets wordt gedrukt, wordt tegelijkertijd het ventiel onder de orgelpijp geopend, waardoor wind in de orgelpijp schiet, en zo de orgeltoon ten gehore komt. Deze wind werd geleverd door een blaasbalg bediend door de orgeltrapper.

In 1925 besloot het kerkbestuur van Nuenen om de blaasbalg door een elektromotor van wind te voorzien, omdat de orgeltrapper dikwijls te laat kwam en hij tweemaal om verhoging van salaris vroeg.

Het nadeel van het mechanische systeem is de zware vingeraanslag op de toetsen, als er meerdere registers zijn ingesteld, en dus meerdere pijpen tegelijk worden geopend. Dat is onder meer ook de reden dat het kerkbestuur in 1931 besloot het orgel van mechanisch naar pneumatisch systeem om te laten bouwen door de fa. Gebroeders Vermeulen te Weert, voor de som van 5.000 gulden (inclusief de kosten van een houten vloer voor het zangkoor). Verschillende pijpen werden vernieuwd, terwijl een aantal nieuwe registers werd toegevoegd.

Hoewel het voor de organist nu veel gemakkelijker werd het orgel te bespelen en te registreren, is door deze ombouw de oorspronkelijke staat van het Smitsorgel verloren gegaan. De trompet 8′ werd door een speciale bewerking opnieuw geïntoneerd, terwijl juist de trompetten van de Smitsorgels bekend staan om hun intelligente mensurering in de kerk.

Ook het pneumatisch systeem (verbinding klaviertoets-orgelpijp d.m.v. wind door buisjes geperst) heeft slechts enkele tientallen jaren opgang gemaakt, waarna het elektrisch systeem in zwang kwam. Het nadeel van het pneumatisch systeem is namelijk dat vooral bij gebruik van meerdere registers, de pijpen later aanspreken dan de klaviertoets is aangeslagen.

De tendens van de laatste jaren is dat nieuwe orgels weer worden gebouwd volgens het oude mechanische systeem: het systeem waarmee het orgel in onze kerk in zijn oorspronkelijke staat was uitgerust. Ook in dit licht bezien was het beter geweest het bestaande orgel te restaureren.

Het kerkbestuur heeft evenwel de beste bedoelingen gehad met deze ombouw, temeer omdat de orgelbouwer werd opgedragen het oude materiaal zoveel mogelijk met het nieuwe werk één geheel te laten vormen. De meeste oorspronkelijke registers zijn ook grotendeel gehandhaafd, die in onze kerk met haar goede akoestiek fraai doorkomen. Het orgel is daarom wel de moeite waard om te worden beluisterd.

In 1990 werd het orgel geïnspecteerd door Dr. T. van Eck, als adviseur van de Katholieke Klokken- en Orgelraad. Het orgel bleek ernstig vervuild, had houtworm en diende ook in technisch opzicht een grote onderhoudsbeurt te ondergaan.

De fa. Vermeulen uit Weert voerde in 1991 de revisie van het orgel uit voor ca. f. 54.000.

Een mogelijke terugkeer van het pneumatische naar het mechanische systeem is aan de orde geweest. Zo’n mechanisch systeem heeft een langere levensduur, lagere onderhoudskosten en fraaiere klanken. Bekostiging hiervan, ca. fl. 250.000, bleek echter te duur.

In 1991 werd een klein orgel aan de zuidkant van het priesterkoor geplaatst. Dit orgel werd in 1957 door de fa. Vermeulen gebouwd te Udenhout, in de kerk van Huize St. Felix van de Zusters van Liefde. Het orgel bevond zich boven de deur van het zangkoor. In 1991 werd het klooster opgeheven. Het orgel werd aangekocht door het kerkbestuur van de H. Clemensparochie.

Voor ca. f. 22.000 werd het door de fa. Vermeulen gedemonteerd en vervolgens weer opgebouwd.

Pastoors sedert de ingebruikname van de Clemenskerk in 1872:
1840-1879 Wilh. P. van Lent
1880-1889 Andr. Pauwels
1889-1895 Wilh. Joh. van Dongen
1895-1911 Arn. van Grinsven
1911-1929 Jac. van der Vleuten
1930-1965 Herm. Alph. Aldenhuysen
1965-1969 Alph. Joseph. M. van Pelt
1970-1988 Corn. Wilh. Swinkels
1989-2005 Henr. A. M. Gerrits
2006-heden Hans Vossenaar

Met dank aan de samenstellers 1e uitgave “1872 – 1997 125 jaar H. Clemenskerk Nuenen”:
W. Cornelissen
J. Dijstelbloem
Mevr. C. Jongen-Ploegmakers
R. Kuyten
N. Nagtegaal
F. Vinke

Samenstellers 2e uitgave:
Ine van Mierlo, Hany Smits en Henk van Stipdonk: tekstbehandeling;
Jos Blatter: layout, omslag en drukwerkvoorbereiding.
▲ naar boven

© 2017 Parochie Heilig Kruis