Overweging Nuenen 17 en 18 april 2021 (Jos Deckers)

Overweging Nuenen 17 en 18 april 2021 (Jos Deckers)

Overweging derde zondag van Pasen jaar B Nuenen 17 en 18 april 2021

Vandaag, op deze derde zondag van Pasen, gaat het weer over de verrijzenis van Jezus.
Al die zondagen tussen Pasen en Pinksteren belichten een ander aspect daarvan.
Vandaag horen we dat de opstanding van Jezus niet alleen een geestelijke werkelijkheid is maar heel het leven omvat.
We moeten ons daarbij goed realiseren dat de eerste christenen joden waren. Dat betekent dat zij het leven en ook de dood en verrijzenis van Jezus alleen vanuit hun joodse geloof konden duiden en verstaan.
En volgens de toen heersende opvatting zou een rechtvaardige die stierf niet in de onderwereld afdalen maar direct door God opgenomen worden. Dat gold zeker voor een rechtvaardige die omwille van zijn geloof gestorven was. Hij of zij werd door God direct in de hemel opgenomen.
Vanuit dat geloof konden die eerste christenen ook die smadelijke dood van Jezus verwerken. Zij waren ervan overtuigd dat God Hem in de hemel had opgenomen. Hij was toch immers de dienstknecht van God, de rechtvaardige bij uitstek. Vanaf zijn eerste optreden had Hij Gods liefde present gesteld. Heel zijn leven had Hij de minsten op de eerste plaats gezet, zieken genezen en mensen teruggebracht in de kring die uitgestoten werden. En zelfs de Romeinse hoofdman had onder het kruis verklaard: ‘Waarlijk, deze Mens was een rechtvaardige!’
Vanuit dat gelovige aanvoelen kunnen zijn vrienden die dood verwerken: ondanks zijn dood moet jezus als de Rechtvaardige bij uitstek wel bij God zijn.

We zien diezelfde ontwikkeling van verwerken terug in de lezing uit het evangelie van vandaag. Deze lezing van Lucas sluit naadloos aan op het verhaal van de Emmausgangers. Het is er het direct vervolg op. De twee leerlingen die aan het begin genoemd worden zijn die Emmausgangers.
Zij hebben Jezus herkend in zijn uitleg van de schriften en bij het breken van het brood. Toen ontdekten ze: Hij is niet dood. Hij leeft bij God.
De Emmausgangers zijn zo vol van hun ervaring met dat nieuwe leven van de verrezen Heer dat ze midden in de nacht de hele weg terug lopen naar Jeruzalem. Zij willen de andere leerlingen laten delen in hun ervaring.
Terwijl zij enthousiast hun verhaal vertellen komt Jezus zelf plotseling bij hen staan. Hij verschijnt in hun midden en wenst hun vrede toe.
De andere leerlingen begrijpen er nog niets van; bij hen komt hun geloof slechts aarzelend op gang. Ze schrikken; ze menen eerst een geest te zien. Ze zijn vol twijfel. Daarna pas slaan die gevoelens om in vreugde en verwondering.
En het is maar de vraag of de leerlingen het dan al begrijpen. Jezus gaat door om – net als onderweg naar Emmaus – de schriften met hen te bespreken.
Jezus is hier een ware catecheet of leraar, een die de ander helpt zijn of haar geloven te ontdekken. Hij maakte hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften. Hij neemt hun twijfels en vragen serieus en laat hen hun eigen geloof ontdekken.

En dan – om zeker te weten dat zij het begrepen hebben vraagt Hij hun iets te eten.
Dat is toch altijd een heel opmerkelijk stukje in dit Lukasevangelie. Veel theologen hebben daar problemen mee gehad; Jezus heeft toch een nieuw leven als de Verrezene; wat heeft Hij dan nog voor voedsel nodig? En: hoe kan dat voedsel met Hem weer opgestegen zijn naar de hemel?
Dat zijn de verkeerde vragen, die voortkomen uit een al te letterlijk verstaan van dit verhaal.
Ik denk dat Lukas dit bijzondere detail vermeldt om te laten zien dat het bij Jezus’ leven na de dood om een echt leven gaat. Zijn nieuwe leven is meer dan voortleven in de gedachten en handelingen van de leerlingen. Het is meer dan voortleven in mensen na Hem.
Dat geldt natuurlijk ook maar er is meer te zeggen, zo laat Lucas ons weten. Verrijzen is meer dan een geestelijk gebeuren. Het omvat heel het leven. In de woorden van de bijbelse theologie: het gaat om een lichamelijk nieuw leven, kortom een echt leven.
Die zelfde beweging zien we in het geheel van het Nieuwe Testament. Je ziet er een groei in dat geloven in de verrijzenis. Het oudste bericht daarover staat in eerste Korinthebrief, geschreven door Paulus. Hij verwijst alleen heel kort naar de verschijningen van Jezus, hij bericht nog niet over een leeg graf.
Paulus wijst op de fundamentele ervaring dat Jezus leeft. Dat is de kern van zijn paasgeloof: de dood heeft niet het laatste woord.
De evangelies werden ongeveer dertig jaar later geschreven. Daar ligt wel de nadruk op het lege graf en zij werken de verschijningen veel meer uit. Alsof de evangelisten tegen ontstane twijfel in, hun toehoorders willen overtuigen: Jezus leeft niet alleen in Gods liefde, maar ook geldt dat zijn nieuwe leven een echt volwaardig leven is. Daarom moet Jezus ook iets eten en verschijnt Hij opnieuw als hun leraar die hen helpt Gods werk te zien en te verstaan.

Geloven in de opstanding is dus meer dan een geestelijk testament afkondigen; het gaat om het ware leven; de kern van verrijzenisgeloof is dat mensen tot bloei komen, dat Gods vrede en gerechtigheid handen en voeten krijgen.
Geloven in de opstanding maakt dan ook opstandig tegen wat het leven afbreekt of vernietigt. Verrijzenis heeft te maken met de redding door Jezus, nieuw en voluit leven in Hem.
Jezus zendt daarom zijn leerlingen ook uit: om dat nieuwe leven aan te kondigen, en vooral om dat nieuwe leven te doen. Belijden dat Jezus verrezen is nodigt ons uit op te staan tot voluit leven.
Petrus maakt dat concreet door een lamme te laten lopen. Dat wordt verteld vlak voor de redevoering die Petrus houdt in Jeruzalem. En die redevoering hoorden we in de eerste lezing: In de Naam van Jezus – en zijn naam betekent God redt – wordt een lamme genezen.
En Petrus brengt dat in zijn toespraak in Jeruzalem direct in verband met de verrijzenis.

Het paasgeloof roept ons op om op te staan uit wat verlamt.
Dat kan een verlamming zijn in geestelijke zin, verlamd door stress, je kunt niet meer werken door een ongeluk of door een ziekte die je overkwam. Je kunt je laten verlammen door je angst voor de vreemdeling dat hij leeft ten koste van jou. Of door alle maatregelen en beperkingen rond corona. Zulke verlamming is niet goed. Die mag je achter je laten; je hoeft je daardoor niet te laten beheersen.
Maar ook hier kan verlamming een lichamelijke betekenis hebben: we kennen allemaal mensen die niet goed ter been meer zijn. Soms hebben zij mooie scootmobiels of rolstoelen en weten zij zich goed te redden. Vaak zijn er handen van hulpverleners, familie en vrienden nodig om mee te kunnen doen in het leven. Tot die inzet voor elkaar nodigen deze verhalen ons uit, tot mantelzorg voor elkaar.

Mensen worden opgeroepen op te staan uit wat hen verlamt; of anderen daarin bij te staan.
Daarom is er ook sprake van vergeving van zonden: want wat niet goed gegaan is in mijn leven, kan mij ook verlammen. Waar iemand mee blijft zitten, kan die persoon remmen om voluit te leven.
In het licht van de verrijzenis mogen we vandaag weten: die verlamming, die remming heeft niet het laatste woord; dat is pas doodzonde. Wij zijn geroepen voluit te leven, de Mensenzoon achterna.
We hoeven ons niet neer te leggen bij fouten en tekorten in ons leven; en ook niet bij onze handicaps; we zijn genodigd tot voluit leven; we zijn geroepen Christus te volgen, in het licht van Gods liefde, gedragen door zijn Geest. En om elkaar daarbij te helpen.
Moge die Geest ons daartoe bezielen. Amen

Jos Deckers, pastoraal werker em.

© 2021 Parochie Heilig Kruis