Overweging 16 februari 2020 Nuenen Jos Deckers

Overweging 16 februari 2020 Nuenen Jos Deckers

Overweging 6e zondag door het jaar A                             16 februari 2020

inleiding
Vandaag komt Jezus aan het woord als wijsheidsleraar. Hij legt Gods woord, zijn lering, uit aan mensen om hem heen. Het is weer een deel van de Bergrede die we in het evangelie gaan horen, zoals vorige en komende zondag. Jezus legt voor zijn leerlingen en ieder die het wil horen uit waar het God om te doen is in zijn lering: dat mensen kunnen groeien tot volwaardig mens zijn. Dat ieder kan leven naar Gods bedoelingen.

 overweging
Allereerst is het goed dat we ons realiseren dat de evangelielezing van deze zondag een deel is uit de Bergrede. Liefst drie zondagen op een rij horen we een stukje daaruit. De Bergrede begint met de zaligsprekingen; Jezus prijst een levenshouding zalig van de ander op de eerste plaats stellen; rekening houden met gerechtvaardigde wensen van je medemensen, werken aan gerechtigheid en vrede. Zulke mensen worden zalig gesproken; tegen hen wordt gezegd: goed zo, je hoort bij God thuis. Vorige week hoorden we het directe vervolg erop. Jezus zei dat we zout en licht zijn als we Hem  navolgen. Vandaag gaat Hij met zijn lering verder.
Door Jezus zo neer te zetten tekent het evangelie volgens Mattheus Jezus als de nieuwe Mozes. Hij is onze Leraar. Voor het joodse volk in de woestijn en later was dat Mozes; voor de eerste christenen was dat Jezus. Hij is onze Leraar.
Voor de gemeente of parochie waarvoor Mattheus zijn evangelie schreef moet dat een bekend beeld zijn geweest. Die christengemeente kende veel joden die christen waren geworden. Mattheus vat de toespraken die we bij de andere evangelisten ook vinden, samen in vijf lange redevoeringen. De Bergrede is de eerste daarvan; de toespraak over de werken van barmhartigheid de laatste.
Door Jezus zo uit te tekenen zegt Mattheus tegen zijn toehoorders: Jezus doet hetzelfde wat Mozes eeuwen daarvoor heeft gedaan tijdens de tocht door de woestijn. Hij past het woord van God toe in zijn situatie en leert zo het volk hoe het kan leven naar Gods bedoelingen. Mozes en nu Jezus houden het volk voor hoe het kan leren volk van God te worden en het land der beloften binnen te gaan. Ze waren leraar toen, ze blijven leraar voor ons.

Jezus houdt ons voor hoe we met de wet moeten omgaan. Hij is als een leraar die een eigen uitleg geeft aan de oude geschriften. Dat was een bekend leermodel in de tijd van Jezus. Er waren bekende leraren die uitleg gaven en een school leerlingen om zich heen verzamelden. Gelovige mensen die zo’n leraar graag wilden horen. Een aantal van hen kennen we bij naam: Hillel, Sjamai, en Gamaliel bij wie Paulus in de leer is geweest. De ene leraar was strenger in zijn uitleg dan de andere. Er waren leraren met veel oog voor de levensvragen van gewone mensen; anderen waren meer gericht op een precieze uitleg van de wet.

Ook Jezus kiest partij in dat spectrum van leraren uit zijn tijd.  Hij heeft gedurende zijn optreden veel kritiek op zijn collega-leraren en hun navolgers. Zij worden in de evangelies schriftgeleerden of farizeeën genoemd. Het woord farizeeër betekent oorspronkelijk: God toegewijd. Degenen die God willen dienen. God dienen betekende zijn lering onderhouden. De farizeeën waren eropuit om Gods woorden zo nauwkeurig mogelijk te bestuderen en dan  te bezien hoe dat volgen van Gods woord concreet gemaakt moest worden.
Het probleem was dat bij een aantal van hen hun ijver voor Gods lering omgeslagen was in fanatisme. Zij wisten precies waar een ander zich aan moest houden. Tegelijk beseften ze dat zo’n precieze navolging lang niet altijd mogelijk is. Maar dat leidde bij hen niet tot een pastorale of milde houding; de meesten werden nog fanatieker.
Om een voorbeeld te noemen. Zij adviseerden: normaal begint de sabbat als het op vrijdagavond donker wordt. Maar zij zeiden: begin op vrijdagmiddag een uur eerder met de sabbat te onderhouden; dan weet je zeker dat je niet te laat bent begonnen. Zo breidden ze de regels uit en maakten het hun navolgers alleen maar moeilijker.

Ook Jezus pleit niet voor een makkelijke oplossing. Hij houdt niet van een laat maar waaien-mentaliteit. Ook Hij breidt de wet uit maar niet om de regels te verzwaren maar om de kern ervan nog beter naar voren te laten komen.
Het gebod: niet moorden verruimt Jezus. Het betekent ook dat we mensen niet mogen uitschelden, doodpraten of doodzwijgen. Doden betekent bij Jezus dat de ander niet voor je bestaat of dat je de ander met harde woorden afmaakt. Dat is nog veel dodelijker.
Niet moorden betekent bij Jezus: bouwen aan leven en samenleven. Respect voor elkaar en respect voor de schepping.
Niet echtbreken betekent bij Hem: trouw zijn aan elkaar, trouw zijn aan de beloften die je hebt gedaan, niet omdat het moet, ook niet voor het oog van het kerkvolk, maar omdat je de ander tot volle wasdom wilt laten komen en zelf ook tot groei kunt komen. Dat mag het criterium zijn: dat de ander en jijzelf tot wasdom komen, meer mens worden.
En dat maakt ook dat we anders tegen echtscheiding aan kunnen kijken, dat – als het na eerlijke pogingen niet meer gaat – een einde aan een relatie soms beter kan zijn dan alleen maar samen doorgaan.
Waar Jezus in zijn omgaan met voorschriften tegen protesteert is het kleinburgerlijke denken van veel farizeeën, waardoor ze letterknechten zijn geworden, leraren met te weinig oog voor de bedoelingen van de wet, te weinig oog voor de Geest van Gods lering en voor de levensvragen van hun toehoorders.
In die zin kan Jezus ook zeggen: Ik ben niet gekomen om wet en profeten af te schaffen of hun werking op te heffen maar om de vervulling te brengen. Hij gaat uit van de Geest van God die in die regels spreekt en past die Geest toe in concrete situaties, steeds gericht op het meer mens worden van hemzelf en zijn medemensen.
Zo tekent het evangelie volgens Mattheus Jezus als de wijsheidsleraar bij uitstek, waarover ook de eerste lezing sprak. Gods lering is dichtbij; we hoeven onze hand maar uit te strekken om ze te bereiken; we weten eigenlijk heel goed wat ons te doen staat.

Daarmee komen we op het punt: wat kunnen we nu met deze teksten in de praktijk van alledag, in onze 21e eeuw? Hoe gaan wij met wetten en regels om?
In onze samenleving weten we het wel: je moet als overheidspersoon de wet niet zo uitleggen dat je er alleen maar zelf voordeel van hebt en als je dan door een rechter teruggefloten wordt, die rechter gaan kleineren en belachelijk maken. Sommige politici – ook in ons land – hebben daar een handje van en dat is gevaarlijk omdat zij daarmee de beginselen van de rechtstaat in twijfel trekken.
Alle mensen zijn voor de wet gelijk – dat is een van de grondbeginselen van onze samenleving – en het is niet juist alleen uit gaan je van het eigen gelijk of van het voordeel van de eigen groep.

Het evangelie stelt ons vandaag ook de vraag: hoe gaan wij met wetten en met Gods lering om? Zijn we even legalistisch als de farizeeën? Zijn we mensen die de regels precies volgen maar men ziet aan ons geen enthousiasme, geen geestkracht?
Of kiezen we ervoor de wetten, Gods lering, tot voltooiing te brengen? Kiezen we voor de groeikracht van mensen? Hebben we de innerlijke openheid Gods geestkracht te ontwikkelen bij de ander en bij onszelf?
Dan kunnen we tot wonderlijke resultaten komen; dan kunnen we – met de woorden van Jezus eerder in de Bergrede – licht voor de wereld worden en zout voor de aarde. Moge dat zo zijn!

Jos Deckers, pastoraal werker em.

© 2021 Parochie Heilig Kruis